Deerlijks 'Grote Drie'

René De Clercq

René Declercq

Zijn geboortehuis staat in de René De Clercqstraat en is nu zijn museum geworden. Hij is de dichter van onvergetelijke liedjes zoals Tineken van Heule, Hemelhuis, Moederke alleen, Daar is maar één land en nog vele andere. Tijdens de Eerste Wereldoorlog gaf hij in Nederland les aan Vlaamse kinderen, gevlucht voor het oorlogsgeweld. Door zijn strijd voor de rechten van het Vlaamse volk en zijn moedertaal, werd hij gebroodroofd. Hij is in Nederland gestorven en werd er ook begraven. In 1982 werd zijn graf en zijn grafmonument overgebracht naar het Kerkplein te Deerlijk. 

 

Pieter Jan Renier

Pieter Jan Renier

Hij is vooral bekend als fabeldichter en vertaler van de fabels van de La Fontaine. Hij schreef ook een dertigtal toneelstukken. In letterkundige wedstrijden werd hij herhaaldelijk gelauwerd. Hij richtte hier een kostschool (een pensionaat) op waar leerlingen van heinde en verre naartoe kwamen, zo'n faam had zijn kostschool. Dit was zijn levenswerk. Een gedenkplaat aan een huis op het Dammeke herinnert er nog aan. Hugo Verriest was er rond 1850 leerling en Peter Benoit kwam als jonge musicus dikwijls de prijsuitdelingen opluisteren. Verder was hij ook nog schepen van Deerlijk en schoolinspecteur.

Tien jaar na zijn dood werd aan de kerk een praalgraf opgericht en onthuld door Hendrik Conscience, toen arrondissementscommissaris van Kortrijk. Pieter Jan Renier was een veelzijdig, fijnbesnaard en sociaal man en een knap en vooruitstrevend opvoeder. In de omgeving van zijn kostschool werd een straat naar hem genoemd, de Pieter Jan Renierstraat. 

Hugo Verriest

Hugo VerriestHij werd geboren op 25 november 1840 in de Hoogstraat nr. 144, waar nu een krantenwinkel is gevestigd. Een gedenkplaat boven het uitstalraam herinnert hieraan. Schuin tegenover zijn geboortehuis staat zijn borstbeeld, een werk van Karel Laloo.

Na zijn priesterwijding in 1864 werd hij benoemd tot leraar aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge. In 1867 verhuisde hij naar het Klein Seminarie van Roeselare, waar hij het werk van zijn leraar Guido Gezelle voorzette. Hij werd er de geestelijke leider van de Blauwvoeterij, de door Albrecht Rodenbach gestichte contestatiebeweging van de katholieke en Vlaamsgezinde studerende jeugd.

In 1878 werd hij tot principaal benoemd van het college van Ieper. Uiteindelijk werd hij achtereenvolgens pastoor van Wakken (1888) en Ingooigem (1895), waar hij in 1913 luisterrijk gevierd werd en op hoge leeftijd overleed (1922).

Verriest was redacteur van het studententijdschrift 'De Vlaamsche Vlagge' (1877-1880) en van het weekblad 'De Nieuwe Tijd' (1896-1901). Hij was lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde en doctor honoris causa van de universiteit van Leuven.

Hij schreef romantisch-impressionistische gedichten (nooit gebundeld), biografieën over personen die hij goed gekend had zoals Guido Gezelle, Stijn Streuvels en Albrecht Rodenbach (Twintig Vlaamsche Koppen, 1901), verhalen en schetsen (Regenboog uit andere kleuren, 1901 en Op Wandel, 1903) en talrijke artikels en verhandelingen over kunst en cultuurproblemen in diverse tijdschriften.

Verriest genoot vooral bekendheid als innemend spreker (Voordrachten, 1904) en om zijn voorname rol in de ontwikkeling van de Vlaamse beweging.

Het geboortehuis van Johannes Verriest, de vader van Hugo, staat in Sint-Lodewijk in de naar hem genoemde Verrieststraat.